Sociale media, in het grensland van de vrijheid van meningsuiting
Heb ik het recht alles te zeggen of te schrijven (waaronder ook tekenen, zingen, filmen, et cetera), over alles en iedereen, in elke bewoording die daarvoor nodig acht, via ieder communicatiekanaal dat ik daarvoor wil gebruiken, op het tijdstip dat ik kies? Is het antwoord ‘ja’ dan is er geen grens aan de vrijheid van meningsuiting, die vrijheid is dan absoluut. Ik schat zo in dat de meeste mensen al snel met voorbeelden komen om aan te geven dat een dergelijke absolute vrijheid onwenselijk, zelfs gevaarlijk is. Maar als het antwoord dan ‘nee’ is, dan volgt de vraag waar we de grens van (zelf)censuur trekken, en is de vraag: ‘Heb ik dan geen vrijheid van meningsuiting meer?‘ iets te simpel. De vraag kwam op in het kielzog van het bericht dat de hoofdwoordvoerder van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond niet meer op persoonlijke titel mag twitteren en een korte gedachtewisseling daarover met Davied van Berlo, ambtenaar én enthousiast twitteraar. “Ik begin me best wel een beetje zorgen te maken over mijn vrijheden als burger nu. En werk is een deel van mijn leven.#persoonlijketweet“, zo twitterde hij. Bij mij gingen de hersens in overdrive, begon de wandeling in -wat ik maar noem- het grensland van de vrijheid van meningsuiting. Het werd een lange wandeling.
Eerlijkheid in het grensland
Je kan op verschillende manieren tegen dit incident (en andere incidenten) aan kijken. Is het wel gepast dat iemand in publieke dienst (ongeacht zijn/haar plaats in de ambtelijke organisatie) zo’n mening mag hebben over de (mogelijke) politieke leiding? Moeten we geen onderscheid maken tussen iemands persoonlijke mening en de mening van de organisatie waarmee hij/zij geïdentificeerd wordt? Is het wel gepast dat gedreigd wordt met ontslag bij een kritische of anderszins onwelgevallige mening? Moet je als journalist een duidelijk persoonlijke mening, ook al is deze geuit in een publiek domein, verheffen tot een publiek standpunt dat om een reactie vraagt van derde betrokkenen? En waar stopt het privédomein? Hoe hard moet iemand afgerekend worden op een ongelukkig uitgepakte uitspraak?
Deze vragen leveren prima discussies, nieuwsartikelen en zendtijd op, met moraalridders die op hun hoge paarden klimmen. Maar voordat je een mening ‚prima’ of ‚dom’ gaat geven, eerst deze vraag: „Heb je zelf ooit iets gedaan, gezegd, geschreven, getekend of gefilmd dat de nu door jou gehanteerde normen van aanvaardbaar op zijn minst een beetje, misschien zelf verre heeft overschreden?“. Nee? Leugenaar
. Gelukkig was er ook een tijd dat het internet in de huidige vorm niet bestond en waar telefoons vooral werden gebruikt om iemand te bellen. Een mooie tijd. Onze grootste blunders werden niet gefilmd en vervolgens minuten later op Youtube geknald. We hadden geen Twitter of Hyves en konden onze oprispingen dan ook maar beperkt kwijt. Onze tactloze, stompzinnige, seksistische, beledigende en racistische opmerkingen niet verder kwamen dan die paar mensen waar je net mee stond te praten. Hoe anders zou jouw carrière er uit hebben gezien als dat alles op het internet was verschenen?
En stel dat dit alsnog naar buiten komt? Is het dan aanvaardbaar dat jij (en anderen) worden afgerekend op iets dat je in het verleden hebt gedaan, gezegd, geschreven binnen een context waarvan iedereen kan weten dat het om een privé-uiting ging, iets dat in het pre-internet tijdperk -bij wijze van spreken- de deur van de slaapkamer niet heeft verlaten? Waarom zou dit in het tijdperk van de sociale media dan anders moeten zijn?
De realiteit is dat deze afrekening er wel degelijk is. Het is geen probleem een reeks erg recente voorbeelden bij elkaar te pakken.
Mijnen in het grensland
Een politicus zegt dat het hem pijn doet als hij vrouwen met een hoofddoekje ziet, en een burger twittert dat de politicus rijp is voor langdurige consultaties met een psycholoog. En voegt daar een paar minuten later de opmerking aan toe dat hijzelf ook wel een psycholoog kan gebruiken, omdat iedere geblondeeerde lijsttrekker pijn doet aan zijn ogen. Collega van de politicus meent dat burger dan niet geschikt is voor zijn baan. Baas van burger voert een goed gesprek en burger belooft dat hij via twitter geen persoonlijke mening meer zal uiten. In het kort komt daar de kwestie op neer. Remco Spanninx, woordvoerder van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond, plaatste op zijn persoonlijke twitteraccount een ongezouten mening over Machiel de Graaf, lijsttrekker van de PVV voor de Provinciale Statenverkiezingen.
In deze context viel -niet geheel onverwacht- direct de naam van Gerda Dijksman, districtschef van de regiopolitie Zuid-West Drenthe, die vorig jaar dezelfde politieke partij fascistisch noemde. Dat viel niet goed en ook hier was de reactie vergelijkbaar. Politicus riep om het ontslag van de politieagent, de tweet werd uit de tijdlijn verwijderd. Een aantal maanden later vloog Dijksman uit de rails door te twittereren dat twee doden in Meppel wel veroorzaakt zouden zijn door huiselijk geweld. Sindsdien is het stil op het persoonlijke account van Dijksman.
Wie ook niet gelukkig kan zijn geweest met Twitter, is Charlotte Bouwman. Deze 17-jarige puber stuurde een tweet de wereld in met: ‚Ik plan een bomaanslag’. Tja, dat schijnt niet te mogen en Charlotte werd opgehaald door de politie. Na een verhoor, een nacht in cel (zonder beha nog wel!) mocht ze weer naar huis… en haar verhaal doen op de nationale televisie. In haar excuusbrief schrijft Charlotte dat ze niet had gedacht dat iemand van de krant of het OM de tweet zou lezen. Een beetje ongeloofwaardig als excuus: de tweet werd doorgestuurd naar Bert Brussen, De Telegraaf, NRC Next, De Wereld Draait Door en Alexander Klöpping.
Een stukje verder in het grensland vinden een volgende rel. Op Joop.nl wordt een cartoon geplaatst naar aanleiding van een luchtballonnetje over tuigdorpen. De cartoon maakt een verwijzing naar de gaskamers uit de Tweede Wereldoorlog. Nu vallen verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog in een actueel politiek debat nooit goed, maar bij Geert Wilders schoot de cartoon heel erg in het verkeerde keelgat. Hij noemt de tekening ‚walgelijk en ziekelijk’. Voor hem was het: of de cartoon gaat van de site of mijn partij doet niet mee aan het lijsttrekkersdebat bij Pauw & Witteman. De tekenaar zelf, Adriaan Soeterbroek, beleefde een paar moeilijke dagen.
De kwalificatie ‚walgelijk’ viel ook Peter Breedveld ten deel. In het debat over het al dan niet deelnemen aan een politiemissie in Afghanistan twitterde hij dat er eigenlijk VN-troepen naar Nederland gestuurd moesten worden om PVV’ers dood te schieten. Breedveld twitterde op persoonlijke titel (en schrijft daarnaast via Frontaal Naakt), maar is ook in dienst bij de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) als redacteur van Ad Valvas. De VU distantieerde zich ‚volledig’ van de uitspraak en bezinde zich op maatregelen. Breedveld raakt zijn baan niet kwijt, maar besluit wel wat voorzichtiger te worden met zijn tweets en blogartikelen. Iets voorzichtiger dan. De site Nieuw Amsterdams Peil weet in verband met deze zaak dat in 2008 de toenmalige woordvoerder van de reizigersorganisatie Rovert, Rikus Spithorst, de laan uitvloog na een column op FOK!.
Het gebruiken van Hyves voor een minder genuanceerde mening lijkt ook niet gezond. Zet vervolgens een zoekmachine aan met de trefwoorden ‚ontslag’ en een populaire netwerksite (kies maar uit) en je merkt dat het voor minder publieke figuren consequenties heeft gehad als zij een kritische mening uitten over hun werkgever.
Is dit een recent fenomeen? Ik denk van niet. Denk maar even terug aan het incident met Rob Oudkerk die op 6 maar 2002, in een persoonlijk onderonsje met Job Cohen, destijds respectievelijk wethouder en burgemeester van Amsterdam, de term ‚kut-Marokkanen’ liet vallen. Helaas voor Oudkerk werd die uitspraak opgenomen én uitgezonden. Microfoons die ‚per ongeluk’ open bleven staan hebben voor meer schade gezorgd. Er is zelfs een aparte Wikipediapagina voor. Altijd leuk als nieuwsitem, maar het roept ook vragen op. De focus ligt nu wellicht bij sociale media als Twitter, Hyves en blogs, maar voor alle media gelden dezelfde vragen. Waar eindigt de ruimte voor persoonlijke meningen, ook als deze via een publiek kanaal of in een publieke omgeving worden gedaan? Wanneer mogen, kunnen media deze persoonlijke opvattingen oppakken als nieuwsitem? Moet je je als burger met een publiek profiel (voortdurend) zorgen maken of jouw uitingen via sociale media of in de buurt van journalisten en bloggers in potentie al dan niet schadelijk kunnen zijn voor jouw werkgever, jouw politieke partij, jouw belangenorganisatie?
Hoe vrij moet het grensland zijn
Ik loop niet neutraal door het grensland van de vrijheid van meningsuiting. Eerlijk gezegd heb ik mij niet verdiept in de officiële spelregels inzake de vrijheid van meningsuiting in Nederland. Het staat in de Grondwet, het staat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het staat in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voor mij staat het streven naar een zo absoluut mogelijke vrijheid van meningsuiting centraal. Niet de vraag: “Hoeveel vrijheid moet ik toekennen?”, maar de vraag: “Hoe weinig (zelf)censuur moeten we toepassen?” vormt het uitgangspunt. Iedere beknotting zou verklaard, gelegitimeerd, zou scherp getoetst moeten worden. En iedere beknotting zou ons ongemakkelijk moeten doen voelen. Mijn denken over de vrijheid van meningsuiting komt voort uit een aantal persoonlijke ervaringen, ervaringen die voor mij diepe voren in het grensland hebben getrokken.
Mijn geloofsovertuiging is geen geheim voor degenen die mijn artikelen via deze site volgen. Wat misschien minder bekend is, is de juridische strijd die Jehovah’s Getuigen, zowel met dictatoriale als democratische regimes hebben moeten leveren om simpelweg de burgerlijke vrijheden te verkrijgen die in verschillende grondwetten al waren vastgelegd: de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting. Tot op de dag van vandaag zijn die vrijheden niet overal vanzelfsprekend, zelfs niet in alle landen van de Europese Unie. Los hiervan zie ik vrijwel maandelijks hoe mensen onder druk worden gezet, hoe het hen wordt verboden door (goedbedoelende) vrienden en familieleden het contact met ons te verbreken. “Je mag alles geloven, behalve…”. Mijn ouders kregen van bezorgde vrienden het aanbod om mij te ontvoeren en af te leveren bij een deprogrammeur. Een werkgever presteerde het mij een arbeidscontract aan te bieden mits ik een verklaring zou ondertekenen waarin ik beloofde op het werk niet over mijn geloofsovertuiging te spreken. De vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting worden daardoor meer dan juridische begrippen, ze vormen voor mij essentiële vrijheden om te zijn wie ik ben.
Een andere voor in het grensland werd getrokken in de jaren negentig. Destijds maakte ik een rondreis langs drie concentratiekampen (Dachau, Auschwitz, Ravensbrück) en het ghetto Theresienstadt. Nee, dat was geen alledaagse vakantiereis, je zou het bijna een pelgrimstocht moeten noemen, langs plekken waar de zwartste bladzijden in het Europa van de twintigste eeuw zijn geschreven. Ik heb het ook wel eens een reis genoemd naar de meest donkere aspecten van mijn innerlijke wezen, om een antwoord te krijgen op de vraag hoever ik zou gaan onder soortgelijke omstandigheden. Onderweg sprak ik met een aantal overlevenden, geloofsgenoten die jaren in de concentratiekampen opgesloten hadden gezeten. Zoals Jan Otrebski die 3,5 jaar Auschwitz heeft overleefd, Gertrud Poetzinger en Elsa Abt. Het was alles bij elkaar een unieke en indrukwekkende reis. Aan de ene kant de confrontatie met het gegeven dat normale burgers, goede vaders en moeders, hardwerkende ambtenaren en agenten et cetera tot de meest verschrikkelijke dingen in staat zijn geweest, of ze hebben ondersteund, of ze maar liever niet hebben gezien. En aan de andere kant de gesprekken met mensen die onder dezelfde omstandigheden leefden en wel de morele kracht wisten te vinden om te doen wat juist was, ongeacht de persoonlijke consequenties. Wat maakte het verschil? En, hebben we geleerd van het collectieve trauma van de Tweede Wereldoorlog? Zal het nooit meer gebeuren, een wens tot uitdrukking gebracht door de woorden van Georges Santayana bij het concentratiekamp Dachau: „Zij die de geschiedenis vergeten, zijn gedoemd deze te herhalen“? Mijn antwoord destijds was: „Dit kan ook in het Europa van nu opnieuw gebeuren. Niet omdat we niet geleerd hebben van de Tweede Wereldoorlog, maar omdat onder de juiste omstandigheden en met de juiste triggers brave, lieve, aardige en hardwerkende burgers ook in onze tijd kunnen veranderen in …… angstige en wilde beesten eigenlijk“. Niet lang daarna verschenen op televisie de beelden van de kampen in het voormalig Joegoslavië. De reis heeft me veranderd en heeft me laten zien hoe belangrijk het is dat burgerlijke vrijheden maximaal worden gewaarborgd, niet door wet- & regelgeving, maar door een krachtige persoonlijke moraal. Geen unieke gedachte overigens ;-) .
Feit is wel dat de vraag voor mij persoonlijk niet uit de lucht kwam vallen en voortvloeide uit een periode in mijn leven waar ik niet trots op ben, een periode waarin ik de vrijheid van meningsuiting fors geweld heb aangedaan. Het is nu (nog) niet de tijd om de ins en outs van deze periode te beschrijven, het is genoeg hier aan te geven dat ik destijds volstrekt aan de andere kant van het grensland van de vrijheid van meningsuiting opereerde. Het leidde tot een existentiële crisis, een radicale omwenteling in mijn leven en de diepe overtuiging dat het doel nooit, absoluut nooit de middelen heiligt. En het besef dat de vrijheid van meningsuiting veel kwetsbaarder is dan we soms denken, zelfs in een democratische rechtsstaat.
Kortom, ideologisch en moreel kom ik snel bij conclusies die pleiten voor maximale vrijheid van meningsuiting en het veroordelen van censuur. Maar ik besef ook direct dat je dan in de praktijk direct tegen problemen aan loopt.
Het is grijs in het grensland
Journalisten worden niet zelden gezien als voorvechters van de vrijheid van meningsuiting, met hun waarheidsvinding en de vrijheid de conclusies daarvan te publiceren. Voor een goed functionerende democratie hebben we vrije, onafhankelijke en plurale media nodig. Zeggen we. Maar als ik kijk naar de rol van journalisten en de media rond de bovengenoemde incidenten, dan kan ik daar niet vrolijk over worden. Ik zie dan een hijgerig verheffen van tweets en marginale opmerkingen tot nieuws dat net zo opgeklopt is als de slagroom van een C-merk uit een budgetsupermarkt. Persoonlijke opmerkingen van publieke functionarissen worden voorgelegd aan politici met lange tenen (die een gelegenheid om stevig in het nieuws te komen beroepsmatig nooit laten schieten). De reactie van de politicus wordt voorgelegd aan de werkgever, die vervolgens krachtig en duidelijk achter de betrokken medewerker weg stapt. Het nieuwsbericht is geboren en vervolgens mogen de journalisten weer schande spreken over het klimaat waar zoveel censuur mogelijk blijkt. Wat mij betreft vormen dit soort journalisten een grotere bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting dan de werkgevers en politici in dit verhaal.
Davied van Berlo stelt de vraag of hij als ambtenaar een persoonlijke mening mag hebben, ook al is hij het gezicht van Ambtenaar 2.0 en in dienst bij de overheid. Moeten ambtenaren en andere publieke functionarissen functioneel hun werk doen, zonder zich een persoonlijke mening over dat werk te vormen, ongeacht de politieke signatuur van hun werkgever? Het probleem is dat je als historicus dan op zoek gaat naar voorbeelden, naar wat de consequenties kunnen zijn als je dit inderdaad verwacht van ambtenaren. Hoe zat het met onze secretarissen-generaal, onze burgemeesters en onze dienders in oorlogstijd? Er is genoeg te vinden over goede en foute agenten, over de ondankbare taak van de secretarissen-generaal, de problemen van rechters (PDF). Na Neurenberg accepteren we zelfs niet van soldaten dat zij zich verschuilen achter het „slechts opvolgen van orders“. Nee, dit is geen Godwin-argument. Je mag van een ambtenaar verwachten dat hij loyaal is richting zijn werkgever (net als van iedere andere werknemer in welke organisatie dan ook), maar niet dat hij/zij geen vragen stelt bij beleid of opdrachten.
En natuurlijk moet je dan weer gaan nuanceren. Want dé ambtenaar bestaat niet. Je zal ook moeten kijken naar de inhoud van zijn/haar functie en taak en welke ruimte daarbinnen kan en moet zijn voor een persoonlijke mening. Mag een beleidsmedewerker in overleg met derde partijen aangeven dat hij ‚iets’ gaat agenderen bij zijn bewindspersoon, ook al gaat dat lijnrecht in tegen het vigerende kabinetsbeleid? Ik liep daar een paar maanden geleden tegen aan. En al kan ik mij vinden in het punt dat de betrokken ambtenaar wil agenderen, in morele zin heb ik daar wel moeite mee. Want hoeveel meer ambtenaren lopen er niet rond die hun persoonlijke agenda tot politieke en bestuurlijke agenda weten te verheffen, omdat zij deze beter weten te agenderen bij hun bewindspersoon? Voor mij zou dit er juist voor pleiten dat ambtenaren zo veel mogelijk bekend maken wat hun persoonlijke mening is over onderwerpen en waar ze mee bezig binnen hun respectieve organisaties. Je loopt dan als open en transparante ambtenaar het risico dat je van een bepaald dossier wordt afgehaald, maar hoe erg is dat?
Het is erg als je te maken hebt met bewindspersonen, leidinggevenden en politici die zo’n mechanisme gaan misbruiken om (interne) kritiek buiten de deur te houden. En daar zie ik wel een reëel probleem. De publieke reacties van de politiekorpsen van Dijksman en Spanninx vind ik teleurstellend, de reactie van de Vrije Universiteit Amsterdam zelfs schokkend. Juist een universiteit zou een bolwerk van onafhankelijke en vrije meningsvorming moeten zijn, een broedplaats en veilige haven voor kritisch en onafhankelijk denken. In plaats van vierkant achter het recht op persoonlijke vrijheid van meningsuiting van hun medewerkers te gaan staan gingen de drie publieke organisaties liever door de knieën om tegemoet te komen aan opgeklopte politieke verontwaardiging. Wat mij betreft vormen dit soort werkgevers met hun afdwingen van (zelf)censuur eveneens een grote bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting, om nog maar te zwijgen over de gevolgen voor de kwaliteit van hun publieke functioneren.
En toch is ook hier een kanttekening bij te plaatsen (de subtitel is niet voor niets „Het is grijs in het grensland“). Op het moment dat je door je functie als het ‚gezicht’ van een organisatie wordt gezien, zul je ook moeten beseffen dat je in de sociale media minder ruimte hebt om een persoonlijke mening te ventileren die niet harmoniseert met de mening van jouw organisatie. Dit is niet beperkt tot het gebruik van de sociale media, maar sociale media geven er wel een nieuwe dimensie aan. Als je in een treincoupé iets te hard over een actueel en gevoelig dossier praat en je overbuurman is toevallig een journalist, dan heeft deze een verhaal waar hij achteraan gaat, waar hij/zij nog verdere bronnen voor moet raadplegen. Zet je dan een opmerking over datzelfde dossier op Twitter of een persoonlijk weblog, dan is dat onderzoek voor een deel al gedaan. Twitter heeft het manco dat het in talig opzicht om een arme omgeving gaat. 140 tekens zijn nooit genoeg voor een genuanceerde opmerking en het is veel te makkelijk om uit een reeks van tweets net de minst genuanceerde opmerking te pakken. Waarom denk je dat de meeste politici zo vaag praten en over het algemeen weinig zeggend twitteren? Die snappen het gevaar van uit hun context geplukte geluidshappen. Wat mij betreft lijkt het dan ook zinloos een onderscheid te maken tussen een zakelijk twitteraccount en een persoonlijk account (en welk ander sociaal medium dan ook). Tenzij je over gaat op afgeschermde accounts, moet je er volgens mij van uitgaan dat iedere uiting een publieke uiting is, welke direct een weerslag heeft op jouw professioneel functioneren.
Dan moet je keuzes maken. Mijn account bij Facebook staat compleet los van andere sociale media. Facebook is in beginsel beperkt tot het contact met geloofsgenoten. Twitter en LinkedIn zijn voor alle andere contacten. Maar ik blog of twitter nauwelijks over mijn dagelijkse werk. Waarom? Ter bescherming van mijn werkgever, de werkplek van mijn collega’s en de cliënten waarvoor we ons werk doen. Indien ik met dezelfde scherpte zou schrijven over de gemeente Rotterdam en het door de gemeente uitgevoerde beleid als ik doe over het open standaarden en open source beleid, dan staan straks 12 collega’s op straat en krijgen 700 mensen per jaar niet meer de hulp die zij nodig hebben. Dus ja, ik pleeg op dit punt zelfcensuur, omdat ik weet dat mijn organisatie financieel teruggepakt wordt als ik ga schrijven. Het is grijs in het grensland.
Want er zijn heel wat lange tenen, waar je maar al te makkelijk op gaat staan. Het is dan opvallend dat de meeste actuele incidenten draaien rond een jonge politieke beweging met een nationalistische agenda, een beweging die -laten we het positief brengen- het hart op de tong heeft en daarbij weinig empathie voor de gevoelens van ‚de ander’ toont. Er wordt een verruiming van de vrijheid van meningsuiting geclaimd, maar deze wordt gelijk de opponent in het debat ontzegd. De Mohammed-cartoons mogen wel, maar de Wilders-cartoon niet? Praten over knieschoten mag wel, maar een opmerking over het neerschieten van PVV-ers niet? Een andere ideologie fascistisch noemen mag wel, maar fascistisch genoemd worden mag niet? Zoals al eerder gezegd, ik sta voor maximale vrijheid van meningsuiting. Ik kan mij prima vinden in de uitspraak van Evelyn Beatrice Hall: „Ik keur af wat je zegt, maar zal tot de dood jouw recht om het te zeggen verdedigen“. Maar dit is wel een reciprook recht, oftewel wie kaatst moet de bal verwachten. De vrijheid van meningsuiting komt in gevaar zodra je jouw eigen vrijheid niet gunt aan de ander.
Waar ligt de veilige grens in het grensland?
Volgens mij is er geen veilige grens. Ik vind dat iedereen vrijuit van sociale media gebruik moet kunnen maken en in zichzelf moet kijken wat wel of niet verstandig is om de wijde wereld in te sturen. Sociale media zijn uit de aard der zaak geen privémedia. Ik vind wel dat journalisten geen nieuws moeten maken van geluidshappen, of het nu een tweet is of een ongelukkige opmerking in de marge van een borrel (die je ‚toevallig’ op hebt kunnen nemen). Maar dat geldt niet alleen voor journalisten. Dat het zo makkelijk is om filmpjes te maken en op Youtube te plaatsen wil niet zeggen dat je daarmee het privédomein van mensen mag schenden, hoe beroerd zij zich ook gedragen of uiten. Tegelijkertijd moet je er (helaas) van uitgaan dat in beginsel alles wat je doet kan worden vastgelegd en rondgestuurd.
Het rondwandelen van de afgelopen dagen, in het grensland van de vrijheid van meningsuiting, heeft voor mij niet alle vragen beantwoord. Ik geloof niet dat organisaties nu richtlijnen moeten gaan formuleren over het gebruik van sociale media, zeker niet in reactie op incidenten. Ik vind wel dat we de illusie van een scheiding tussen zakelijk en privé moeten loslaten, vooral als sociale media worden gebruikt als onderdeel van personal branding (ongeacht bij wie je op dat moment werkzaam bent) of als onderdeel van een communicatiestrategie van de organisatie (ongeacht wat de medewerker dan wel of niet communiceert).
De grootste bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, ook via de sociale media, komt niet van werkgevers met een ruggengraat als een tuinslang, noch van politici met lange tenen of journalisten met de ethiek van het riool, maar van onszelf. De vrijheid van meningsuiting heeft het meest te lijden van mensen die uit angst zwijgen.
Posted on februari 20, 2011, in Digitaal Burgerschap, Neo-Luddisme, OpenSourceLearning. Bookmark the permalink. 4 reacties.
Zeer interessant stuk. Ik moet het straks nogmaals op mijn gemak lezen want nu heb ik er zo overheen gelezen.
Pingback: Tweets die vermelden Sociale media, in het grensland van de vrijheid van meningsuiting « Jan Stedehouder -- Topsy.com
Pingback: Niet allen zijn gelijk in het grensland van de vrijheid van meningsuiting « Jan Stedehouder
Pingback: Stilte, maar niet stil gezeten « Jan Stedehouder